'Het verhaal achter het portret'
/

 

Toelichting bij Cursus I, periode 800-1800

Jan de Goede, koning van Frankrijk in de veertiende eeuw, was geen sterke leider, maar volgens de overlevering wel een man die sympathie afdwong. Zijn beeltenis van rond 1350 (zie hiernaast) wordt beschouwd als het eerste autonome portret.

Na Jan zijn vele, vele andere vorsten en machthebbers vereeuwigd. Maar, ook de burgerij ging zich allengs vaker laten afbeelden. De manier waarop dat in Italië werd gedaan was anders dan in de noordelijke landen. Waarom en hoe leert de cursus aan de hand van veel kleurrijke afbeeldingen.

De Italiaanse renaissance rond 1500 bracht ons Leonardo da Vinci, Rafael, Titiaan en andere onsterfelijke meesters die portretten tot geïdealiseerde kunstwerken maakten. Noord Europese schilders als Dürer, Holbein, Anton Mor e.a. stonden daarentegen meer met hun beide benen op de grond (of toch niet?). Hoe zijn deze verschillen in beeldtaal te verklaren.

De zeventiende eeuw vervolgens bracht vooral in noord-west Europa een economische voorspoed die van grote invloed was op de kunst. Velen konden zich laten portretteren en zo hun welvaart tentoonspreiden. Grote meesters als Rubens, Van Dyck en Jordeans in de zuidelijke Nederlanden en Rembrandt, Frans Hals, Bartholomeus van der Helst e.a. in het noorden hebben grote belangrijke (barokke) oeuvres nagelaten, ook in de portretkunst. En, lukte het hen uiteindelijk om naast het uiterlijk ook het ´karakter´van de personen op het doek te krijgen?

De laatste periode die Cursus I behandelt laat ons de ´over de top´ gecultiveerde portretten van de rococo zien. Hoe kwam men tot deze beeldvorm? En, zijn de portretten uit die tijd wel zo eenvoudig als op het eerste gezicht lijkt? Of ligt hun 'verhaal'  en waarde op een ander vlak?